Skip to content

Landbouw methode

Jip Claassens edited this page Apr 19, 2026 · 9 revisions

Landbouw methode

Deze pagina beschrijft de werking van het landbouwmodule in RSopen. Het landbouwmodel wijkt op een aantal punten af van de allocatie van andere sectoren (wonen, werken, etc.): het maakt gebruik van discrete allocatie in plaats van stapsgewijze allocatie, kent een eigen economisch model op basis van Netto Contante Waarde, en bevat een gedetailleerde uitwerking voor melkveehouderij met voedercompositie en melkproductie.


Inhoud


Landbouwklassen en gewassen

Er worden twaalf landbouwklassen onderscheiden die individueel worden gealloceerd via discrete allocatie: Rietteelt, Aardappelen, Bieten, Granen, Cranberry, Boomgaard, Moerasbomen, Rijst, Yacon, grondgebonden vee (extensief), grondgebonden vee, grondgebonden vee (intensief).

Onderliggend zijn deze klassen uitgesplitst in gewassen. Zo telt de klasse Rietteelt twee gewassen: Riet en Lisdodde. De meeste andere klassen bevatten momenteel een enkel gewas, maar de structuur (GewasSoortYR/perLandbouwK_domain) is zodanig dat elke klasse meerdere gewassen kan bevatten. Elk gewas heeft een specifieke opbrengstderving en kan wel of niet worden aangetast door verzilting.

Gewas LandbouwKlasse Opbrengstderving bron Aantasting door verzilting
Riet Rietteelt Exotisch Ja
Lisdodde Rietteelt Exotisch Ja
Aardappelen Aardappelen WWL Ja
Bieten Bieten WWL Nee
Granen Granen WWL Nee
Cranberry Cranberry Exotisch Nee
Boomgaard Boomgaard WWL Ja
Moerasbomen Moerasbomen Exotisch Nee
Rijst Rijst Exotisch Nee
Yacon Yacon Exotisch Nee
Gras beweiden GG vee (extensief) WWL Nee
Gras maai GG vee WWL Nee
Snijmais GG vee (intensief) WWL Ja

De klasse Aardappelen is een samengesteld gewas (consumptie-, poot- en zetmeelaardappelen). De parameterwaarden zijn gewogen gemiddelden op basis van de areaalverhoudingen uit BIJ12/KWIN-AGV 2024. In de code is de structuur voorbereid voor eventuele uitsplitsing naar afzonderlijke subtypes.

De geschiktheidsberekening voor landbouw verloopt via twee templates: Dairy_T voor de drie grondgebonden vee-klassen, en Akkerbouw_T voor alle overige landbouwklassen (negen stuks). Het verschil is dat Dairy_T een voederconversiemodel bevat (gras en mais worden via een feed conversion efficiency omgezet in melkproductie), terwijl Akkerbouw_T een directe keten volgt (opbrengst x prijs - kosten = netto-opbrengst). Beide templates produceren dezelfde interface: Suitability, NPV, NetRevenue en Conversion_costs.


Geschiktheid

De geschiktheid (suitability) van een cel voor een landbouwklasse is het centrale sturingssignaal voor de allocatie. Het wordt uitgedrukt in EUR/m2 en representeert de biedprijs die een boer bereid zou zijn te betalen voor die locatie. Een hogere geschiktheid betekent dat de locatie economisch aantrekkelijker is voor die klasse. De geschiktheid wordt opgebouwd uit drie componenten: de jaarlijkse netto opbrengst, een kapitalisatiefactor die de stroom van toekomstige opbrengsten verdisconteert naar een contante waarde, en de transitiekosten die bij omschakeling van het huidige landgebruik worden gemaakt.

Netto contante waarde (NPV)

Per gewas wordt op elke locatie de geschiktheid bepaald via de Netto Contante Waarde (Net Present Value), zoals beschreven door Koomen, Diogo, Dekkers en Rietveld (2015) en Diogo, Koomen en Kuhlman (2015). De NPV-benadering is een standaardmethode uit de financiele economie om de verwachte netto economische opbrengsten van langetermijnprojecten te bepalen door verwachte cash flows over een periode te verdisconteren. Het achterliggende idee is dat een boerenbedrijf een langetermijninvestering is: als de prijs van een gewas tijdelijk daalt, zal een boer niet onmiddellijk overschakelen, afhankelijk van de investeringen die hij heeft gedaan (Verburg et al. 2002). De NPV representeert daarmee de maximale prijs die een boer bereid is om te betalen voor een stuk land zonder verlies te lopen, oftewel de biedprijs in het allocatieproces.

$$NPV_{cj} = -I_{cj} + \sum_{y=1}^n \frac{R_{cjy} - C_{cjy}}{(1+r)^y}$$

  • $NPV_{cj}$ -- de netto contante waarde voor productiesysteem $j$ in cel $c$
  • $I_{cj}$ -- de initiele investeringskosten (transitiekosten) voor productiesysteem $j$ in cel $c$
  • $R_{cjy}$ -- de jaarlijkse bruto opbrengsten voor productiesysteem $j$ in cel $c$ in jaar $y$
  • $C_{cjy}$ -- de jaarlijkse totale kosten voor productiesysteem $j$ in cel $c$ in jaar $y$
  • $r$ -- de disconteringsvoet (momenteel ingesteld op 5,5% voor de rationele boer)
  • $n$ -- de levensduur van het project in jaren (momenteel ingesteld op 20 jaar)

De keuze van deze parameterwaarden volgt eerder onderzoek in de Nederlandse context (Van der Hilst et al. 2010; Kuhlman, Diogo en Koomen, 2013), waarin vergelijkbare afschrijvingsperiodes en disconteringsvoeten worden gehanteerd.

Bruto opbrengsten

De bruto opbrengst per gewas per cel wordt als volgt bepaald:

$$R_{cjy} = \sum_{k=1}^n YM_k \cdot (1 - YR_{ck}) \cdot Rot_{ck} \cdot P_k \cdot PM_j + S \cdot Rot_{ck}$$

  • $YM_k$ -- de maximaal haalbare oogst van gewas $k$ onder optimale biofysische condities (in ton/ha)
  • $YR_{ck}$ -- de opbrengstderving van gewas $k$ in cel $c$ (ratio, 0-1)
  • $Rot_{ck}$ -- het rotatieaandeel van gewas $k$ in het bouwplan in cel $c$ (ratio, afhankelijk van bodemtype)
  • $P_k$ -- de basismarktprijs van gewas $k$ (in EUR/ton)
  • $PM_j$ -- de variant-afhankelijke prijsmultiplier voor de gewascategorie waartoe $k$ behoort (zie Scenario-afhankelijke prijzen)
  • $S$ -- de totale subsidie per hectare, opgebouwd uit GLB-basispremie, eco-regelingen en ANLb (zie Landbouwbeleid en subsidies)

De productiekosten zijn toegerekende kosten (zaaizaad, bemesting, gewasbescherming, energie, loonwerk), gedifferentieerd per bodemtype (klei/zand). Vaste bedrijfskosten (arbeid, machines, grond) zitten niet in de productiekosten maar worden via de transitiekosten en kapitalisatie verwerkt.

In de code:

ActualYield     = MaxYield * (1 - YieldReduction) * Rotation
GrossRevenue    = ActualYield * MarketPrice * PriceMultiplier + TotaalSubsidie * Rotation
NetRevenue      = GrossRevenue - ProductionCosts

Databronnen: opbrengsten en prijzen uit BIJ12/KWIN-AGV actualisatie 2024 (5-jarig gemiddelde 2019-2023), productiekosten uit KWIN-AGV (of geschatte waarden als KWIN niet beschikbaar), gewasrotaties op basis van BRP 2007-2012 (Diogo et al. 2015, Table 3 en Appendix A).

Kapitalisatie

In het model wordt de verdiscontering niet per jaar berekend maar via een kapitalisatiefactor die de oneindige of eindige stroom van toekomstige netto-opbrengsten omzet in een eenmalige contante waarde. Het template Kapitalisatie_T past continue discontering toe:

$$F = \frac{1 - e^{-d \cdot n}}{d}$$

  • $F$ -- de kapitalisatiefactor (in jaren)
  • $d$ -- de continue disconteringsparameter, berekend als $d = \ln(1 + r)$
  • $n$ -- de afschrijvingsperiode (momenteel ingesteld op 20 jaar)

De uiteindelijke geschiktheid wordt dan:

$$Suitability_c = NetRevenue_c \cdot F - ConversionCosts_c$$

Er worden twee kapitalisatieperspectieven gehanteerd: het boerperspectief (met de boervariant-specifieke rentevoet) wordt gebruikt voor de suitability die het allocatiealgoritme stuurt; het maatschappelijk perspectief (met de standaard rentevoet) wordt gebruikt voor de NPV-indicator die als output wordt gerapporteerd. Bij de standaard rentevoet van 5,5% en een afschrijvingsperiode van 20 jaar komt de kapitalisatiefactor op circa 12 uit.

Opbrengstderving

Opbrengstderving is de afname van de maximaal haalbare opbrengst op een locatie als gevolg van bodem-fysische, hydrologische of klimatologische omstandigheden. Het wordt uitgedrukt als een ratio tussen 0 en 1, waarbij 0 betekent dat de volledige potentiele opbrengst haalbaar is en 1 dat er niets groeit. Bijvoorbeeld: aardappelen op goede kleigrond hebben een opbrengstderving van circa 0,05, terwijl dezelfde aardappelen op natte veengronden een derving van 0,80 of meer kunnen hebben.

Er wordt gebruik gemaakt van twee bronnen:

  • Water Wijzer Landbouw (WWL) voor gangbare gewassen. Dit is een model van WUR dat per gewas de opbrengstderving berekent op basis van combinaties van bodemtype en grondwaterstand
  • WUR kansenkaarten voor exotische gewassen (riet, lisdodde, cranberry, moerasbomen, rijst, yacon), die zijn opgesteld op basis van biofysische geschiktheidsmodellering door Deltares/WUR

Welke bron per gewas wordt gebruikt, is vastgelegd in de classificatie GewasSoortYR.

Verzilting

Verzilting is een speciale case van opbrengstderving die ruimtelijk en temporeel verschilt van de standaard hydrologische derving. De bron hiervoor is het Deltaprogramma Zoetwater (Schasfoort et al. 2024, in prep.), dat per deltascenario ruimtelijke kaarten heeft gemaakt met de verandering van verziltingsrisico tussen het huidige klimaat en 2050 (en voor twee scenario's ook 2100). Bij het aanmaken van deze kaart is rekening gehouden met twee verziltingsprocessen: brakke kwel die in de wortelzone komt, en verzilting van beregeningswater.

De kaart onderscheidt vijf klassen: kleiner risico (0), nagenoeg gelijk risico (1), enig groter risico (2), matig groter risico (3), en aanzienlijk groter risico (4). Omdat het niet exact te duiden is welke klasse zoutschade oplevert (een kleine toename op al licht verzilte grond kan ernstig zijn, terwijl dezelfde toename elders onbeduidend is), zijn de klassen 2 tot en met 4 samengevoegd tot een klasse "verziltingsgevoelig".

Binnen deze verziltingsgevoelige gebieden wordt een instelbaar percentage (de parameter Verzilt_Areaal_Fractie, momenteel op 0,40) van de cellen daadwerkelijk als aangetast beschouwd. De selectie van aangetaste cellen gebeurt door per cel een random getal te trekken, dit te vermenigvuldigen met de verziltingsgevoeligheidskaart en ruimtelijk te clusteren met een kernel van 1000 meter. Vervolgens wordt een zaaglijn bepaald om het gewenste percentage aangetaste cellen te selecteren.

Welke gewassen verziltingsgevoelig zijn, is bepaald aan de hand van de Maas-Hoffman relaties. Daarbij is gekeken naar twee clusters: gewassen die beperkt verziltingsgevoelig zijn (in het model op "niet gevoelig" gezet) en gewassen die in meerdere mate gevoelig zijn (op "gevoelig" gezet). De Maas-Hoffman parameters zijn overgenomen uit Mulder et al. (2018).

Akkerbouw: gewaskeuze binnen een klasse

Akkerbouw_T itereert per landbouwklasse over de bijbehorende gewassen (via GewasSoortYR/perLandbouwK_domain). Per gewas wordt in het sub-template PerGewas_T de fysieke opbrengst, bruto opbrengst en netto opbrengst berekend. De landbouwklasse krijgt vervolgens de maximale netto opbrengst van zijn gewassen toegewezen via max_elem. Dit representeert dat een boer binnen zijn productiesysteem het best renderende gewas voor die cel kiest. Een DominantGewas attribuut registreert per cel welk gewas de hoogste opbrengst heeft, zodat na allocatie zichtbaar is welke onderliggende teelt dominant is.

De Rotation geeft het aandeel van een gewas in het bouwplan, gedifferentieerd per bodemtype (klei/zand). Zo is de rotatie voor granen op kleigrond 0,49 (bijna de helft van het bouwplan) maar op zandgrond 0,29. Voor meerjarige teelten (boomgaard, rietteelt, moerasbomen) is de rotatie 1,0 (het gewas staat het hele jaar op het perceel).

Alle gewasparameters staan in de container ModelParameters/Landbouw/per_Gewas/<LandbouwKlasse>/<GewasSoort>.

Melkvee

De drie grondgebonden vee-klassen (extensief, standaard, intensief) gebruiken Dairy_T, dat een fundamenteel ander model bevat dan Akkerbouw_T. In een melkveebedrijf is het gewas (gras, snijmais) niet het eindproduct maar een tussenproduct dat via voederconversie wordt omgezet in melk. Het model simuleert deze keten in drie stappen: gewasproductie, voederbalans en melkopbrengst.

In stap 1, gewasproductie, worden per cel de drooggewicht-opbrengsten van gras en snijmais berekend. De grasopbrengst is:

$$DM_{gras,c} = (YM_{gras} + DD_{c}) \cdot (1 - YR_{gras,c}) \cdot Rot_{gras,c}$$

  • $YM_{gras}$ -- de maximaal haalbare grasopbrengst onder optimale condities (in ton drooggewicht per ha)
  • $DD_{c}$ -- de additionele grasopbrengst door deep drainage in cel $c$ (in ton/ha). Deep drainage is het actief verlagen van de grondwaterstand om grasgroei te bevorderen, wat additionele kosten met zich meebrengt (DD_costs, momenteel op 117 EUR/ha/jr)
  • $YR_{gras,c}$ -- de opbrengstderving van gras in cel $c$
  • $Rot_{gras,c}$ -- het aandeel gras in de gewasrotatie in cel $c$ (afhankelijk van bodemtype, typisch 0,89 op klei en 0,70 op zand)

De snijmais-opbrengst volgt een vergelijkbare berekening, maar zonder deep drainage en met eigen DM_yield waarden per bodemtype.

In stap 2, voederbalans, wordt de totale hoeveelheid voeder per cel bepaald. Er zijn twee modi: exogeen (TotalFeedExo = TRUE, de standaard) waarbij de totale voederbehoefte per cel een vaste waarde is afgeleid van de maximale grasopbrengst, en endogeen waarbij het voeder afhankelijk is van de werkelijke grasopbrengst. In beide gevallen wordt het voeder verdeeld over drie componenten: gras, snijmais en concentraat.

$$feed_c = \frac{YM_{gras}}{Perc_{FeedDM}}$$

  • $feed_c$ -- de totale voederbehoefte in cel $c$ (in ton drooggewicht per ha)
  • $Perc_{FeedDM}$ -- het aandeel van het voeder dat uit eigen teelt komt (gras + mais), momenteel ingesteld op 0,75 voor extensief en hoger voor intensief

De voedercompositie is momenteel ingesteld op 75% gras en 25% snijmais (concentraat op 0%). De concentraatcomponent kan worden geactiveerd door de parameter feed_composition_share_concentrates aan te passen.

Als de maisopbrengst op een cel hoger is dan de voederbehoefte aan mais, wordt het surplus verkocht op de groothandelsmarkt; als de opbrengst lager is, wordt mais bijgekocht. Dit levert een Feed_surplus_deficit component op die positief of negatief kan zijn.

In stap 3, melkopbrengst, wordt de totale melkproductie berekend:

$$melk_c = feed_c \cdot FCE$$

  • $melk_c$ -- de melkproductie in cel $c$ (in ton per ha)
  • $FCE$ -- de feed conversion efficiency (momenteel ingesteld op 1,39 ton melk per ton voeder, afgeleid van Van Duinkerken et al. 2007)

De bruto opbrengst van melkvee wordt dan:

$$R_c = melk_c \cdot (P_{melk} + P_{mest} - K_{houding})$$

  • $P_{melk}$ -- de melkprijs (momenteel circa 400 EUR/ton), vermenigvuldigd met de variant-specifieke prijsmultiplier
  • $P_{mest}$ -- de mestopbrengst (momenteel circa -30 EUR/ton, dus een kostenpost vanwege mestafzetkosten)
  • $K_{houding}$ -- de vaste houderijkosten per ton melk (momenteel circa 157 EUR/ton)

De totale kosten bestaan uit: voederkosten van gras (productiekosten + voederkosten per ton drooggewicht), voederkosten van mais (productiekosten - CAP subsidie - surplus/deficit + voederbereiding), voederkosten van concentraat (aankoop + voederbereiding), en de kosten van deep drainage.

net_revenues    := gross_revenues - total_costs
gross_revenues  := milk_production * (MilkPrice + Manure_revenue - Holding_costs)
total_costs     := gras/feed_costs + mais/feed_costs + concentraat/feed_costs + dd_costs
milk_production := total_feed * FCE

De drie vee-intensiteitsklassen (extensief, standaard, intensief) hebben elk een eigen parameterisatie: de maximale grasopbrengst, het aandeel drooggewicht in het voeder, de FCE en een melkprijspremie verschillen per intensiteitsklasse. Extensieve veehouderij produceert minder melk per hectare maar tegen lagere kosten; intensieve veehouderij levert meer op per hectare maar met hogere kosten.

Dairy-parameters staan in ModelParameters/Landbouw/per_Gewas/Dairy (gedeelde parameters) en ModelParameters/Landbouw/per_ModelType/<klasse> (klasse-specifieke parameters).

Scenario-afhankelijke prijzen

De marktprijzen voor landbouwproducten zijn variant-afhankelijk. Per gewascategorie is in VariantK een prijsmultiplier gedefinieerd (PriceMult_<klasse>) waarmee de basisprijs uit per_Gewas wordt vermenigvuldigd. In BAU zijn alle multipliers 1,0 (huidige marktsituatie). In WBS en Transformeren wijken deze af op basis van verwachte marktontwikkelingen in het betreffende scenario.

Categorie BAU WBS Transformeren
Melk 1,00 0,95 0,80
Granen 1,00 1,05 1,15
Aardappelen 1,00 1,00 0,90
Bieten 1,00 0,95 0,85
Boomgaard 1,00 1,10 1,20
Rietteelt (paludi) 1,00 1,20 1,80
Exoten 1,00 1,10 1,40

De multipliers voor Cranberry, Moerasbomen, Rijst en Yacon zijn gelijkgesteld aan PriceMult_Exoten. De sterke stijging van de Rietteelt-multiplier in Transformeren (1,80) weerspiegelt de verwachting dat paludicultuur-producten (isolatiemateriaal, biomassa, substraat) een grotere markt zullen vinden naarmate de transitie naar natte landbouw op veengronden vordert.

Landbouwbeleid en subsidies (GLB)

Sinds de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 2023 kent het EU-landbouwbeleid een gelaagde structuur van directe betalingen en gebiedsspecifieke vergoedingen. In het model is deze structuur vertaald naar drie subsidiecomponenten die per cel en per variant de TotaalSubsidie vormen.

De GLB-basispremie (BIS, basisinkomenssteun) is de brede inkomenssteun die vrijwel alle boeren ontvangen, onder voorwaarde dat zij voldoen aan de zogenoemde GLMC's (goede landbouw- en milieuconditie). De GLMC's omvatten eisen aan bemesting, gewasbescherming, landschapselementen en vruchtwisseling. In de meeste varianten is de basispremie ingesteld op circa 260 EUR/ha. In de Transformeren-variant is deze op 0 gezet, wat een scenario representeert waarin directe inkomenssteun volledig is afgebouwd.

De eco-regelingen zijn in 2023 geintroduceerd als vrijwillige jaarlijkse betalingen bovenop de basispremie. Boeren verzamelen punten door milieuvriendelijke activiteiten uit te voeren: rustgewassen telen, bufferstroken aanleggen, precisielandbouw toepassen, niet-kerende grondbewerking, groenbemesters inzetten, weidegang toestaan, enzovoort. Op basis van het aantal punten bereikt een boer een niveau: brons, zilver of goud. Elk niveau heeft een eigen vergoeding per hectare. In de praktijk (cijfers 2024) deed circa 75% van de Nederlandse boeren mee aan eco-regelingen, waarvan circa 20% het goud-niveau bereikte.

In het model worden de eco-regelingen als volgt verwerkt: per variant is een fractie en een bedrag per niveau gedefinieerd. De verwachte bijdrage per hectare is het gewogen gemiddelde over de drie niveaus. Deze aanpak veronderstelt dat het eco-regelingbedrag "gratis geld" is voor de boer. In werkelijkheid brengen de vereiste activiteiten ook kosten met zich mee (lagere opbrengst door rustgewassen, investering in precisielandbouw), maar deze opportunity costs worden in de huidige implementatie niet expliciet gemodelleerd.

Het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer) is een gebiedsspecifieke vergoeding die via agrarische collectieven wordt verstrekt, voornamelijk in veenweidegebieden. Het ANLb vergoedt boeren voor activiteiten als peilopzet, weidevogelbeheer en botanisch graslandbeheer. De vergoedingen zijn substantieel hoger dan eco-regelingen en kunnen oplopen tot meer dan 1000 EUR/ha in gebieden waar vergaande vernatting wordt doorgevoerd. In het model wordt ANLb alleen op veengrond toegepast en wordt de hoogte en het deelnamepercentage variant-afhankelijk ingesteld.

Parameter BAU WBS Transformeren
GLB Basispremie (EUR/ha) 260 260 0
Eco-regeling Goud (EUR/ha, fractie) 200, 20% 250, 40% 400, 60%
Eco-regeling Zilver (EUR/ha, fractie) 100, 30% 125, 35% 200, 25%
Eco-regeling Brons (EUR/ha, fractie) 60, 25% 75, 15% 100, 10%
ANLb veenweide (EUR/ha, fractie) 300, 10% 800, 40% 1200, 80%

De ANLb-veenweide component is beleidsmatig een van de belangrijkste instrumenten in de WBS- en Transformeren-varianten: het vertegenwoordigt de financiele compensatie die boeren ontvangen als zij op veengrond peilopzet accepteren. Deze peilopzet vermindert de CO2-emissie uit veenoxidatie, maar leidt ook tot hogere opbrengstderving. Het samenspel van hogere subsidie en hogere derving bepaalt of een boer op veengrond overschakelt naar natte teelten (paludicultuur) of conventionele landbouw voortzet.

Transitiekosten

Bij omschakeling van het ene productiesysteem naar het andere maakt een boer conversiekosten. Deze kosten representeren de investeringen in nieuw materieel, nieuwe faciliteiten, eventueel grondverwerving en de aanloopverliezen bij een nieuwe teelt. De kosten zijn afhankelijk van het huidige en het gewenste landgebruik, en zijn vastgelegd in een transitiekostenmatrix (Transitiekosten_src). Basiswaarden zijn afgeleid uit Diogo et al. (2015), Table 5:

Omschakeling naar Investeringskosten (EUR/ha)
Akkerbouw 7.257
Melkvee 14.269
Fruitteelt 35.858
Rietteelt / Moerasbomen ~3.629 (50% van akkerbouw)
Bloementeelt 26.254
Boomkwekerij 35.055

Omschakeling vanuit een verwant systeem (bijv. van extensief naar intensief vee) is goedkoper dan omschakeling vanuit een heel ander systeem. De volledige matrix is opgenomen in Transitiekosten_src in ModelParameters/Landbouw.

Bovenop de basiskosten wordt een premie opgelegd die afhankelijk is van de boervariant (zie hieronder). Een boer die niet wil veranderen, hoeft geen transitiekosten te betalen: de conversiekosten van een klasse naar zichzelf zijn 0.

Boervarianten

Er worden drie typen boergedrag onderscheiden, elk met een eigen disconteringsvoet en premie op de transitiekosten:

Boervariant Disconteringsvoet Transitiepremie Interpretatie
RationeleBoer 5,5% (instelbaar) 0% Waardeert toekomstige opbrengsten het hoogst, schakelt het makkelijkst over
IntermediateBoer 8,0% (instelbaar) 20% Midden-categorie
ConservatieveBoer 16,0% (instelbaar) 100% Zwaarst verdisconteerd, draagt dubbele transitiekosten

Het verschil in disconteringsvoet heeft een groot effect op de kapitalisatiefactor. Bij 5,5% en 20 jaar is de kapitalisatiefactor circa 12; bij 16% en 20 jaar is deze circa 5,6. Dat betekent dat de ConservatieveBoer dezelfde stroom toekomstige opbrengsten bijna twee keer zo laag waardeert als de RationeleBoer. Gecombineerd met de dubbele transitiekosten leidt dit ertoe dat de ConservatieveBoer pas bij zeer grote geschiktheidsverschillen zal overstappen naar een ander gewas.

In het iteratieproces wordt de ConservatieveBoer eerst gealloceerd. Daar waar deze niet overstapt (vanwege hoge transitiekosten en lage waardering van toekomstige opbrengsten), wordt het bestaande landgebruik als startstaat vastgezet voor de volgende iteratie. Zo wordt de traagheid van het landbouwsysteem gemodelleerd: het landgebruik verandert alleen waar het economisch sterk aantrekkelijk is, en blijft elders stabiel.


Beschikbaarheid

Per cel wordt de beschikbaarheid voor landbouw bepaald op basis van vijf condities die allemaal moeten gelden:

  1. De cel is deel van het landbouw-zoekgebied (bepaald door de startstaat en het BBG-bestand).
  2. Er is minimaal een instelbare hoeveelheid land beschikbaar na aftrek van stedelijk en natuur-gebruik. Deze drempel is instelbaar via MinimalLandAvailability_Landbouw in VariantK, en staat momenteel op 0,60 ha per 100m-cel.
  3. De cel valt niet in een restrictiegebied voor de betreffende klasse (bijv. Natura 2000-gebieden).
  4. Het grondgebruik in het basisjaar is niet "water".
  5. De cel is niet reeds toegewezen aan een hoger geprioriteerde sector (wonen, werken, etc.).

Een meer gedetailleerde beschrijving van het restrictiesysteem is te vinden op de pagina Beschikbaarheid.


Regionale vraag (claims)

De allocatie-module vereist per landbouwklasse minimale en maximale regionale claims. De claimvariant wordt per variant ingesteld via Claim_agrarisch_Variant in VariantK. Er zijn twee claimvarianten ingebouwd.

In de variant claims_ggvee_minfractie nemen de minimale claims van de drie grondgebonden vee-typen af met een instelbaar percentage (momenteel 10%). Deze afname wordt verdeeld over de exotische gewassen: rietteelt (35%), cranberry (10%), moerasbomen (35%), rijst (10%) en yacon (10%). Boomgaard houdt het huidige areaal aan als minimum. Aardappelen, bieten en granen nemen elk met 20% af ten opzichte van het huidige areaal om voldoende ruimte te garanderen voor de nieuwe klassen. De maximale claims zijn onbegrensd.

In de variant claims_conservatief nemen de grondgebonden vee-typen met 5% af. Aardappelen, bieten en granen houden hun huidige areaal grotendeels vast. Maximale claims voor exotische gewassen zijn beperkt tot het huidige areaal van rietteelt.


Allocatie

De invoer voor de allocatie-module bestaat uit geschiktheidskaarten per landbouwklasse (met beschikbaarheden er al in verwerkt) en minimale en maximale regionale claims. Het discrete allocatiealgoritme maximaliseert de totale geschiktheid per regio door opportuniteitskosten mee te wegen: het algoritme houdt rekening met wat een stuk land zou opleveren voor een alternatief gewas. Dit contrasteert met de stapsgewijze allocatie die voor andere sectoren (wonen, werken) wordt gebruikt, waar een greedy-benadering geen rekening houdt met alternatief landgebruik.


Exogeen opleggen

Bepaalde landbouwklassen kunnen per variant exogeen worden opgelegd. Een selectie van cellen wordt dan buiten het allocatieproces geplaatst en krijgt een vastgesteld landgebruik, ongeacht de uitkomst van de geschiktheidsberekening. Dit wordt gestuurd door de parameter ExogeenOpleggen in VariantK en wordt bijvoorbeeld gebruikt voor waterbergingsgebieden.


Indicatoren

Na allocatie worden verschillende indicatoren berekend:

Bronnen

  • Diogo, V., Koomen, E., & Kuhlman, T. (2015). An economic theory-based explanatory model of agricultural land-use patterns: The Netherlands as a case study. Agricultural Systems, 139, 1–16.
  • Koomen, E., Diogo, V., Dekkers, J., & Rietveld, P. (2015). A utility-based suitability framework for integrated local-scale land-use modelling. Computers, Environment and Urban Systems, 50, 1–14.
  • Mulder, M., et al. (2018). Waterwijzer Landbouw: instrumentarium voor kwantificeren van effecten van waterbeheer en klimaat op landbouwproductie. STOWA rapport 2018-48.
  • Van Duinkerken, G., et al. (2007). Handboek Melkveehouderij. Animal Sciences Group, Wageningen UR.

Clone this wiki locally