-
Notifications
You must be signed in to change notification settings - Fork 2
Dichtheid
Dichtheid bepaalt hoeveel actoren of objecten per eenheid oppervlak aan een locatie worden toegewezen. Het is een van de meest invloedrijke onderdelen van het model: hogere dichtheden leiden tot meer binnenstedelijke ontwikkeling en minder uitbreiding, en vice versa. Deze pagina beschrijft per sector hoe dichtheden worden berekend, welke parameters daarbij een rol spelen en welke aannames daaraan ten grondslag liggen.
Dichtheid wordt gebruikt in fase 4 van de pre-allocatiestappen (zie Modelstructuur op hoofdlijnen). Zodra de allocatie een locatie toewijst aan een subsector, bepaalt de dichtheid hoeveel woningen, banen of megawatt op die locatie worden gerealiseerd. De dichtheid bepaalt daarmee indirect ook hoeveel locaties nodig zijn om een regionale claim te vervullen: bij hogere dichtheid zijn minder locaties nodig.
Dichtheden zijn variant-specifiek en worden ingesteld via VariantK.dms en de ontwikkelpakketten. Ze veranderen ook in de tijd: per zichtjaar worden groeifactoren toegepast.
De woningdichtheid (woningen per hectare) wordt per subsector (woningtype × eigendomsvorm) bepaald via ontwikkelpakketten. Een ontwikkelpakket specificeert per woningtype de dichtheid op netto-buurtniveau, die vervolgens wordt vertaald naar celniveau.
De ontwikkelpakketten zijn gedefinieerd in VariantParameters/Ontwikkelpakketten/ en worden geselecteerd via de parameter OntwikkelPakketVariant in VariantK.dms (standaard: Default). Elk pakket specificeert per woningtype (eengezins/meergezins, vrijstaand/rijtjes/appartement, etc.) de dichtheid in woningen per hectare op netto-buurtniveau. De parameter OPScaleRef bepaalt of netto-buurt of bruto-buurt als schaalniveau wordt gehanteerd.
De verhouding bruto/netto wordt per locatie bepaald op basis van waargenomen verhoudingen in het basisjaar.
Naast de dichtheid uit het ontwikkelpakket gelden er bovengrenzen die locatiespecifiek zijn. De maximale woningdichtheid wordt opgebouwd uit meerdere componenten:
-
Waargenomen dichtheid in het basisjaar, berekend op meerdere schaalniveaus (cel, buurt, wijk, gemeente, NVM-regio, COROP, provincie). Per cel wordt het maximum van deze niveaus genomen.
-
Dichtheidsfactoren: vermenigvuldigingsfactoren die de waargenomen dichtheid verhogen op basis van locatiekenmerken. Per combinatie van woningtype (EG/MG) en locatiekenmerk wordt een factor ingesteld:
-
DichtheidFactorGeneriek: basisfactor, geldt overal (standaard 1.0, behalve Intransformeren: 1.2) -
DichtheidFactorOV: bij nabijheid van OV-haltes (standaard 1.1–1.5) -
DichtheidFactorWater: bij nabijheid van groot water binnen bestaand bebouwd gebied (standaard 1.1–1.5) -
DichtheidFactorBevKern100kPlus/20kPlus/20kMin: bij nabijheid van bevolkingskernen van verschillende grootte (standaard 1.0–1.4)
Deze factoren worden additief gecombineerd (niet multiplicatief): de uiteindelijke factor is
1 + (OV_effect - 1) + (Water_effect - 1) + max(Kern_effecten) + (Generiek - 1). -
-
Landschapsbeperkingen: in mooi en zeer mooi landschap gelden afzonderlijke maxima (
MaxDichtheidInMooiLandschap,MaxDichtheidInZeerMooiLandschap). -
Minimale dichtheden: er gelden ook ondergrenzen per woningtype en scenario (
MinimumDichtheid_EG,MinimumDichtheid_MG). Deze voorkomen dat er op geschikte locaties te laagbouwend wordt ontwikkeld.
De parameter MinimumDichtheidToenameWonen (standaard: 0.10, oftewel 10%) stelt een ondergrens aan de relatieve dichtheidstoename ten opzichte van de huidige situatie. Een cel komt alleen in aanmerking voor woningbouw als de potentiële dichtheid ten minste 10% hoger is dan de bestaande dichtheid. Dit voorkomt dat het model marginale verdichtingen doorvoert die in de praktijk onrealistisch zijn.
De werkdichtheid wordt uitgedrukt in m² pandfootprint per hectare en is conceptueel anders dan de woningdichtheid: ze wordt niet voorgeschreven via pakketten, maar afgeleid uit waargenomen verhoudingen tussen pandfootprint en banen.
De kernberekening is de pandfootprint per baan (PandFootprint_baan.dms). Per Jobs6-subsector (nijverheid, logistiek, detailhandel, overige consumentendiensten, zakelijke dienstverlening, overheid/kwartaire diensten) wordt de verhouding m² pandfootprint / aantal banen berekend. Dit kan op twee manieren:
- PerRegio (standaard): de verhouding wordt berekend op NVM-regioniveau en teruggeprojecteerd naar gridcellen. Dit geeft scherpe regionale verschillen.
- Smoothed: de verhouding wordt berekend via een potentiaalfunctie (afstandsverval over 5000m), waardoor overgangen tussen regio's geleidelijker verlopen.
De keuze wordt ingesteld via ModelParameters/Werken/Type_m2perBaan.
Het berekeningsjaar voor de pandfootprint-per-baan ratio is expliciet gekoppeld aan het LISA-peiljaar (PandFootprint_per_job_calc_yr). Dit waarborgt dat teller (pandfootprint uit BAG) en noemer (banen uit LISA) uit hetzelfde jaar komen. Zie Tijdsdynamiek voor de achtergrond.
Analoog aan wonen wordt de maximale werkdichtheid afgeleid uit waargenomen dichtheden in het basisjaar, vermenigvuldigd met een dichtheidsfactor. De dichtheidsfactoren voor werken (DichtheidFactorOV_NietWonen, DichtheidFactorWater_NietWonen, etc.) volgen dezelfde structuur als bij wonen.
De parameter MinimumDichtheidToenameWerken (standaard: 0.10) werkt identiek aan die bij wonen: een cel komt alleen in aanmerking als de potentiële dichtheid minstens 10% hoger is dan de bestaande. Dit voorkomt verdunning.
Per zichtjaar worden de pandfootprint-per-baan verhoudingen aangepast via jaarlijkse groeifactoren. Deze zijn gedefinieerd in VariantK.dms per Jobs6-subsector (bijv. Nijverheid: 1% per jaar, Logistiek: 0.5% per jaar). De groeifactor wordt toegepast over de periode tussen het voorgaande zichtjaar en het huidige:
PandFootprint_perJob_zichtjaar = PandFootprint_perJob_vorig × (1 + groeifactor × aantal_jaren)
Dit mechanisme modelleert de trend dat industriële en logistieke functies in de loop der tijd meer ruimte per baan innemen. Voor kantoren geldt een apart mechanisme via de kantoorcoeëfficiënt (m2BVO_job_Kantoor_groeifactor), die de thuiswerkeffecten op de m² per baan verdisconteert.
De parameter MinimalLandAvailability (standaard: 0.40 ha voor stedelijke functies, 0.60 ha voor landbouw) stelt een drempel aan de minimale beschikbare ruimte in een 100m-cel. Bij een celoppervlak van 1 ha betekent 0.40 dat minimaal 40% van de cel onbebouwd moet zijn. Cellen met minder beschikbare ruimte worden restrictief verklaard.
Dit is een van de meest invloedrijke parameters in het model. Lagere waarden leiden tot meer verdichting (het model mag cellen vullen die al grotendeels bebouwd zijn); hogere waarden forceren uitbreiding naar minder bebouwde locaties. De huidige waarden zijn gebaseerd op expert judgement.
Voor zon en wind worden dichtheden uitgedrukt in megawatt per hectare en zijn ze gebaseerd op technische kentallen, niet op waargenomen waarden.
Het vermogen per hectare wordt ingesteld via ModelParameters/Zon/Vermogen_ha en kent drie klassen (laag/midden/hoog). De parameter ZonCombinerenMetBestaandGroen in VariantK.dms bepaalt of zonnevelden mogen worden gecombineerd met bestaand groen landgebruik. Bij combinatie wordt het vermogen per hectare vermenigvuldigd met FractieVermogenHaIndienZonCombinerenMetBestaandGroen.
De dichtheid van windturbines wordt bepaald door het turbinetype (TurbineType in VariantK.dms) dat het vermogen per turbine en de benodigde onderlinge afstand specificeert. De ruimtelijke plaatsing volgt een stempelpatroon met instelbare parameters voor aantal rijen, tussenruimte en oriëntatie.
De dichtheid voor verblijfsrecreatie (recreatiewoningen per hectare) wordt afgeleid uit waargenomen dichtheden per regio, analoog aan de werkdichtheid. Er worden geen ontwikkelpakketten of groeifactoren toegepast.
| Parameter | Sector | Eenheid | Standaard | Effect |
|---|---|---|---|---|
| MinimumDichtheid_EG | Wonen | woning/ha | 20 | Ondergrens dichtheid eengezins |
| MinimumDichtheid_MG | Wonen | woning/ha | 35–40 | Ondergrens dichtheid meergezins |
| MaxDichtheidInMooiLandschap | Wonen | woning/ha | 100 | Bovengrens in mooi landschap |
| MaxDichtheidInZeerMooiLandschap | Wonen | woning/ha | 50 | Bovengrens in zeer mooi landschap |
| DichtheidFactorGeneriek | Wonen/Werken | factor | 1.00–1.20 | Generieke vermenigvuldigingsfactor |
| DichtheidFactorOV_* | Wonen/Werken | factor | 1.10–2.00 | Extra dichtheid nabij OV |
| MinimumDichtheidToenameWonen | Wonen | fractie | 0.10 | Min. relatieve verdichting |
| MinimumDichtheidToenameWerken | Werken | fractie | 0.10 | Min. relatieve verdichting |
| MinimalLandAvailability | Wonen/Werken | ha | 0.40 | Min. beschikbare ruimte per cel |
| MinimalLandAvailability_Landbouw | Landbouw | ha | 0.60 | Idem voor landbouw |
| Groeifactor (per subsector) | Werken | per jaar | 0.00–0.01 | Jaarlijkse groei m²/baan |
| Vermogen_ha | Zon | MW/ha | instelbaar | Vermogen per hectare zon |
Object Vision B.V.
Deel I — Wat is het model?
Deel II — Hoe werkt het model?
- Tijdsdynamiek
- Startstaat (basisjaar)
- Beschikbaarheid
- Geschiktheid
- Dichtheid
- Allocatie procedure in formules
- Uitwerking wonen
- Uitwerking werken
- Uitwerking overige sectoren
- Uitwerking waterberging
- Uitwerking landbouw
- Landgebruikskaart
- Effectmodules en indicatoren
Deel III — Toepassingen
Deel IV — Overig