-
Notifications
You must be signed in to change notification settings - Fork 2
Mortaliteit agv groenveranderingen
Deze indicator schat de verandering in mortaliteit (sterftekans) van bewoners als gevolg van een toename of afname van groen in hun woonomgeving, op basis van veranderingen in de groenindex NDVI binnen 500 meter rond de woning.
Het RIVM heeft een literatuuronderzoek gedaan naar de mogelijkheden om gezondheidsvoordelen van groen te kwantificeren. Er is weinig kwantitatieve evidentie, maar één relatie is bruikbaar: de relatie tussen groen en mortaliteit.
De kans op overlijden neemt met circa 4% af wanneer de groenindex (NDVI) met 0,1 toeneemt binnen een zone van 500 meter van het woonadres.
Deze indicator maakt geen onderscheid naar type groen, kwaliteit, biodiversiteit, aantrekkelijkheid, veiligheid of toegankelijkheid. Het betreft een correlatie; een causaal verband is niet met zekerheid vastgesteld. Het is niettemin de enige indicator die een ruwe indicatie geeft van het effect van groen op gezondheid.
Waterlichamen en watervegetatie worden buiten beschouwing gelaten: de NDVI is daar 0 of negatief, terwijl water waarschijnlijk geen negatief mortaliteitseffect heeft. Het grootste effect is te verwachten wanneer bebouwd gebied of kale grond wordt omgezet in natuur.
Bron: RIVM, Onderzoek naar mogelijkheden om de gezondheidsvoordelen van groen te kwantificeren — Inzichten vanuit het project GRIP: Integrale Gezondheidseffecten van Ruimtelijke Plannen (rapport 2026-0008).
Per cel (25 m) wordt een NDVI-waarde bepaald op basis van het landgebruik. Vervolgens wordt per cel het gewogen gemiddelde van de NDVI binnen een straal van 500 m berekend (focal mean), waarbij uitgesloten cellen (water, duinen, kwelders) niet meetellen — niet in de teller én niet in de noemer:
NDVI_500m(cel) = potential(NDVI, straal_500m) / potential(IsDefined(NDVI), straal_500m)
Het mortaliteitseffect volgt uit de verandering van NDVI_500m tussen basisjaar en zichtjaar:
ΔNDVI_500m = NDVI_500m(zichtjaar) − NDVI_500m(basisjaar)
Bewoners(cel) = Aantal_Woningen_Totaal × PersonenPerWoning
VermedenSterfgevallen = ΔNDVI_500m × EffectPerNDVI × ReferentieSterfte × Bewoners
Een positieve uitkomst betekent vermeden sterfgevallen per jaar door toename van groen; een negatieve uitkomst extra sterfgevallen door afname van groen. De NDVI-onzekerheid wordt expliciet meegenomen via een min-, mid- en max-variant (ondergrens, midden en bovengrens van het NDVI-bereik per landgebruiksklasse).
| Parameter | Waarde | Toelichting |
|---|---|---|
EffectPerNDVI |
0,04 / 0,1 | 4% lagere overlijdenskans per 0,1 NDVI-toename binnen 500 m (RIVM) |
ReferentieSterfte |
0,01 per jaar | Gemiddeld aandeel bewoners dat per jaar overlijdt |
PersonenPerWoning |
2,1 | Gemiddelde huishoudensgrootte om woningen naar bewoners te vertalen |
Gras in primair bebouwd gebied (NDVI 0,20–0,45) wordt omgezet in loofbos (NDVI 0,60–0,85). Binnen 500 m wonen 200 mensen. De NDVI stijgt met circa 0,25 (ondergrens). Dat geeft een ~10% lagere overlijdenskans (0,04 × 2,5). Bij een referentiesterfte van 1% per jaar overlijden in een groep van 200 bewoners gemiddeld 2 personen per jaar; een reductie van 10% komt neer op 0,2 vermeden sterfgevallen per jaar.
De NDVI per cel wordt in volgorde van betrouwbaarheid bepaald:
- Onveranderde cel → huidig landgebruik volgens de LGN-klasse (waargenomen).
- Veranderd naar natuur → NDVI van het opgelegde MNP-beheertype (de bron van de nieuwe natuur).
- Overig veranderd (stedelijk, landbouw, of natuur zonder beheertype-detail) → NDVI-bereik van het toegekende LU_ModelType.
Het NDVI-bereik zelf is op één plek gedefinieerd (de LGN-klassetabel hieronder). Alle andere classificaties verwijzen via een LGN_code naar de best passende LGN-klasse — er worden geen NDVI-waarden gedupliceerd.
In zichtjaren is voor veranderde cellen geen LGN-klasse beschikbaar; alleen het gemodelleerde landgebruik (LU_ModelType) is bekend, en dat aggregeert meerdere natuurtypen tot één klasse (Natuur_Totaal). De grootste onzekerheid zit juist bij natuur, waar de NDVI in werkelijkheid varieert van ~0,15 (heide, hoogveen) tot ~0,85 (loofbos). Daarom wordt voor nieuw opgelegde natuur teruggegrepen op de bron van die natuur — de MNP-natuurtypenkaart (WUR) — en wordt per beheertype de bijbehorende NDVI-klasse gekozen. Alleen wanneer dat beheertype-detail ontbreekt (bijvoorbeeld in varianten zonder MNP-typenkaart) valt de indicator terug op het generieke Natuur_Totaal-bereik.
De NDVI-bereiken zijn afgeleid uit het RIVM-rapport en de LGN-classificatie. Dit is de enige plek waar NDVI-waarden zijn vastgelegd. Uitgesloten klassen tellen niet mee in de analyse.
| LGN-code | Klasse | NDVI min | NDVI max | Uitgesloten |
|---|---|---|---|---|
| 0 | onbekend | – | – | ✓ |
| 1 | agrarisch gras | 0,30 | 0,55 | |
| 3 | aardappelen | 0,40 | 0,65 | |
| 4 | bieten | 0,45 | 0,75 | |
| 5 | granen | 0,40 | 0,75 | |
| 9 | boomgaarden | 0,30 | 0,60 | |
| 11 | loofbos | 0,60 | 0,85 | |
| 12 | naaldbos | 0,50 | 0,75 | |
| 16 | zoet water | −0,15 | 0,05 | ✓ |
| 17 | zout water | −0,20 | 0,05 | ✓ |
| 18 | bebouwing primair bebouwd gebied | 0,00 | 0,15 | |
| 19 | bebouwing secundair bebouwd gebied | 0,05 | 0,20 | |
| 26 | bebouwing in buitengebied | 0,05 | 0,25 | |
| 27 | overig grondgebruik in buitengebied | 0,00 | 0,20 | |
| 30 | kwelders | 0,10 | 0,35 | ✓ |
| 31 | open zand in kustgebied | 0,00 | 0,20 | |
| 32 | duinen met lage vegetatie | 0,10 | 0,30 | ✓ |
| 33 | duinen met hoge vegetatie | 0,10 | 0,30 | ✓ |
| 34 | duinheide | 0,15 | 0,35 | |
| 35 | open stuifzand / rivierzand | 0,00 | 0,20 | |
| 36 | heide | 0,15 | 0,35 | |
| 39 | hoogveen | 0,15 | 0,40 | |
| 40 | bos in hoogveengebied | 0,35 | 0,60 | |
| 41 | overige moerasvegetatie | 0,05 | 0,30 | |
| 42 | rietvegetatie | 0,05 | 0,30 | |
| 43 | bos in moerasgebied | 0,35 | 0,60 | |
| 46 | gras in het kustgebied | 0,20 | 0,50 | |
| 47 | overig gras | 0,25 | 0,50 | |
| 252 | halfverharde wegen e.a. | 0,00 | 0,10 | |
| 322 | struikvegetatie in moerasgebied | 0,25 | 0,50 |
Volledige LGN-tabel: zie
Classifications/Grondgebruik/LGNKlasse.
Voor cellen die in een zichtjaar van functie veranderen verwijst elk gemodelleerd landgebruik naar de best passende LGN-klasse; het NDVI-bereik volgt uit tabel 1.
| LU_ModelType | LGN-code | NDVI min | NDVI max | Toelichting |
|---|---|---|---|---|
| Wonen_Totaal | 19 | 0,05 | 0,20 | analoog secundair bebouwd |
| Werken_Totaal | 18 | 0,00 | 0,15 | analoog primair bebouwd |
| Verblijfsrecreatie_Totaal | 26 | 0,05 | 0,25 | bebouwing in buitengebied |
| Waterberging_Totaal | 41 | 0,05 | 0,30 | moeras/rietveld |
| Infra_Totaal | 252 | 0,00 | 0,10 | halfverharde/verharde infra |
| Water_Totaal | 16 | −0,15 | 0,05 | uitgesloten |
| Overig_Totaal | 27 | 0,00 | 0,20 | overig grondgebruik buitengebied |
| Natuur_Totaal | 11 | 0,60 | 0,85 | generieke terugval; alleen zonder MNP-beheertype |
| Landbouw_Rietteelt | 42 | 0,05 | 0,30 | |
| Landbouw_Aardappelen | 3 | 0,40 | 0,65 | |
| Landbouw_Bieten | 4 | 0,45 | 0,75 | |
| Landbouw_Granen | 5 | 0,40 | 0,75 | |
| Landbouw_Cranberry | 1 | 0,30 | 0,55 | aanname |
| Landbouw_Boomgaard | 9 | 0,30 | 0,60 | |
| Landbouw_Moerasbomen | 43 | 0,35 | 0,60 | bos in moerasgebied |
| Landbouw_Rijst | 5 | 0,40 | 0,75 | aanname, analoog graan |
| Landbouw_Yacon | 3 | 0,40 | 0,65 | aanname, analoog knolgewas |
| Landbouw_GG_vee_extensief | 1 | 0,30 | 0,55 | |
| Landbouw_GG_vee | 1 | 0,30 | 0,55 | |
| Landbouw_GG_vee_intensief | 1 | 0,30 | 0,55 |
De
Natuur_Totaal-terugval (loofbos, 0,60–0,85) wordt uitsluitend gebruikt wanneer voor een cel geen MNP-beheertype beschikbaar is. In de bovengrens reikt natuur bewust tot 0,85, omdat de NDVI van loof- en naaldbos hoger ligt dan een middenwaarde en bos naar verwachting ook daadwerkelijk meer bijdraagt aan gezondheid.
Wanneer een cel naar natuur verandert, wordt het beheertype uit de MNP-natuurtypenkaart (WUR) gebruikt en gekoppeld aan de best passende LGN-klasse. Hieronder de toekenning per beheertype (codes volgens de index voor natuurbeheertypen). Duinen, water en kwelders zijn uitgesloten conform RIVM; kaal zand/strand telt wél mee.
| Beheertype | LGN-code | Klasse |
|---|---|---|
| N00.01 Nog om te vormen naar natuur | 0 | onbekend (uitgesloten) |
| N00.02 Omvorming – kwaliteitsimpuls | 0 | onbekend (uitgesloten) |
| N01.01 Zee en wad | 17 | zout water (uitgesloten) |
| N01.02 Duin- en kwelderlandschap | 32 | duinen lage veg. (uitgesloten) |
| N01.03 Rivier- en moeraslandschap | 41 | overige moerasvegetatie |
| N01.04 Zand- en kalklandschap | 36 | heide |
| N02.01 Rivier | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N03.01 Beek en bron | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N04.01 Kranswierwater | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N04.02 Zoete plas | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N04.03 Brak water | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N04.04 Afgesloten zeearm | 17 | zout water (uitgesloten) |
| N05.01 Moeras | 41 | overige moerasvegetatie |
| N05.01.02 Landriet | 42 | rietvegetatie |
| N05.01.03 Waterriet | 42 | rietvegetatie |
| N05.01.06 Moerasstruweel | 322 | struikvegetatie moeras |
| N05.01.07 Moerasloofbos | 43 | bos in moerasgebied |
| N05.01.11 Galigaanmoerassen | 41 | overige moerasvegetatie |
| N05.01.13 Open zand | 35 | open stuifzand/rivierzand |
| N05.01.14 Slikkige rivieroever | 41 | overige moerasvegetatie |
| N05.02 Gemaaid rietland | 42 | rietvegetatie |
| N05.03 Veenmoeras | 39 | hoogveen |
| N05.04 Dynamisch moeras | 41 | overige moerasvegetatie |
| N06.01 Veenmosrietland en moerasheide | 39 | hoogveen |
| N06.02 Trilveen | 39 | hoogveen |
| N06.03 Hoogveen | 39 | hoogveen |
| N06.04 Vochtige heide | 36 | heide |
| N06.05 Zwakgebufferd ven | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N06.06 Zuur ven of hoogveenven | 16 | zoet water (uitgesloten) |
| N07.01 Droge heide | 36 | heide |
| N07.02 Zandverstuiving | 35 | open stuifzand |
| N08.01 Strand en embryonaal duin | 31 | open zand kustgebied |
| N08.02 Open duin | 32 | duinen lage veg. (uitgesloten) |
| N08.02.01 Zeereep en strand | 31 | open zand kustgebied |
| N08.02.02 Stuivend duinzand | 31 | open zand kustgebied |
| N08.02.03 Witte duinen | 32 | duinen lage veg. (uitgesloten) |
| N08.02.07 Droog duingrasland kalkrijk | 32 | duinen (uitgesloten) |
| N08.02.08 Droog duingrasland kalkarm | 32 | duinen (uitgesloten) |
| N08.02.11 Duinstruweel | 33 | duinen hoge veg. (uitgesloten) |
| N08.02.15 Duingrasland | 32 | duinen (uitgesloten) |
| N08.03 Vochtige duinvallei | 32 | duinen (uitgesloten) |
| N08.04 Duinheide | 34 | duinheide |
| N09.01 Schor of kwelder | 30 | kwelders (uitgesloten) |
| N10.01 Nat schraalland | 46 | gras in kustgebied |
| N10.02 Vochtig hooiland | 46 | gras in kustgebied |
| N11.01 Droog schraalgrasland | 46 | gras in kustgebied |
| N12.01 Bloemdijk | 46 | gras in kustgebied |
| N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland | 46 | gras in kustgebied |
| N12.03 Glanshaverhooiland | 46 | gras in kustgebied |
| N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland | 46 | gras in kustgebied |
| N12.05 Kruiden- en faunarijke akker | 6 | overige landbouwgewassen |
| N12.06 Ruigteveld | 47 | overig gras |
| N13.01 Vochtig weidevogelgrasland | 46 | gras in kustgebied |
| N13.02 Wintergastenweide | 46 | gras in kustgebied |
| N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos | 43 | bos in moerasgebied |
| N14.02 Hoog- en laagveenbos | 40 | bos in hoogveengebied |
| N14.03 Haagbeuken- en essenbos | 11 | loofbos |
| N15.01 Duinbos | 12 | naaldbos |
| N15.01.01 Duinbos – gemengd bos | 11 | loofbos |
| N15.01.02 Duinbos – loofbos | 11 | loofbos |
| N15.01.03 Duinbos – naaldbos | 12 | naaldbos |
| N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos | 11 | loofbos |
| N15.02.01 … gemengd bos | 11 | loofbos |
| N15.02.02 … loofbos | 11 | loofbos |
| N15.02.03 … naaldbos | 12 | naaldbos |
| N16.01 Droog bos met productie (vervallen) | 11 | loofbos |
| N16.01.01 … gemengd | 11 | loofbos |
| N16.01.02 … loofbos | 11 | loofbos |
| N16.01.03 … naaldbos | 12 | naaldbos |
| N16.02 Vochtig bos met productie (vervallen) | 11 | loofbos |
| N16.03 Droog bos met productie | 12 | naaldbos |
| N16.03.01 … gemengd bos | 11 | loofbos |
| N16.03.02 … loofbos | 11 | loofbos |
| N16.03.03 … naaldbos | 12 | naaldbos |
| N16.04 Vochtig bos met productie | 11 | loofbos |
| N16.04.01 … gemengd bos | 11 | loofbos |
| N16.04.02 … loofbos | 11 | loofbos |
| N16.04.03 … naaldbos | 12 | naaldbos |
| N17.01 Vochtig hakhout en middenbos (vervallen) | 11 | loofbos |
| N17.02 Droog hakhout | 11 | loofbos |
| N17.03 Park- en stinzenbos | 11 | loofbos |
| N17.04 Eendenkooi | 43 | bos in moerasgebied |
| N17.05 Wilgengriend | 43 | bos in moerasgebied |
| N17.06 Vochtig en hellinghakhout | 11 | loofbos |
- De relatie tussen NDVI en mortaliteit is een correlatie, geen vastgesteld causaal verband.
- Het NDVI-bereik per landgebruiksklasse is een bandbreedte, geen exacte waarde; de werkelijke NDVI hangt o.a. af van natuurkwaliteit, seizoen en beheer. Daarom worden min-, mid- en max-varianten doorgerekend.
- Water, duinen en kwelders worden uitgesloten van de analyse (lage of niet-representatieve NDVI).
- De koppeling van LU_ModelType en MNP-beheertypen aan een LGN-klasse betreft een best passende toekenning; deze is per regel verfijnbaar.
- De terugval voor
Natuur_Totaal(loofbos, 0,60–0,85) wordt alleen gebruikt waar het MNP-beheertype-detail ontbreekt; dit kan natuur overschatten in scenario's die op laag-NDVI-natuur (heide, hoogveen) inzetten. - De referentiesterfte en huishoudensgrootte zijn landelijke gemiddelden zonder regionale differentiatie.
Object Vision B.V.
Deel I — Wat is het model?
Deel II — Hoe werkt het model?
- Tijdsdynamiek
- Startstaat (basisjaar)
- Beschikbaarheid
- Geschiktheid
- Dichtheid
- Allocatie procedure in formules
- Uitwerking wonen
- Uitwerking werken
- Uitwerking overige sectoren
- Uitwerking waterberging
- Uitwerking landbouw
- Landgebruikskaart
- Effectmodules en indicatoren
Deel III — Toepassingen
Deel IV — Overig